'Zolang ik hem in 't oog kan houden ben ik gerust,' zei Noel. 'Zolang dat hij onder mijn dak is, houd ik mijn hand boven zijn hoofd. Maar als hij buiten onder een tram wil springen...'

'Ja, dan...' zei Papa.

'En mijnheer Leevaert, zijn boezemvriend?'

'Die heeft het aan zijn darmen.'

'Wie betaalt er Marnix zijn rekening dan?' vroeg Papa.

'Ik ben er gerust in,' zei Noel.

'Ge verdient toch genoeg op onze rug,' zei een Waffen ss-man.

'Nee, ik stuur de rekening naar Groothuis.'

'De eerste avond van mijn verlof, de eerste dag,' zei de ss'er, 'ga ik naar hem toe daar in zijn hoekje, ik zeg: ''Wel, Puydt, hoe is het ermee?" want ik deed alsof ik van niks wist, verstaat ge? want soms is het beter om te gebaren van pijkenaas, en godverdomme, hij smijt een glas Spa in mijn aangezicht.'

'Als 't Pale-Ale geweest was, lag hij in het hospitaal. Want onze Scharfuhrer moet maar een plekske zien of hij roept lijk een zeekoe. En met dat mijn vrouw niet thuis is... ik zie me al mijn uniform uitwassen.'

'Soms valt hij in slaap,' zei Noel, 'ik laat hem maar liggen.'

'Zo'n schone Vlaamse mens ten onder zien gaan,' zei Papa. 'De Engelsman heeft al veel op zijn geweten, maar dat... En zegt hij nooit eens een woordje?'

Noel dacht na. ''t Laatste dat ik hoorde was tegen Leevaert die stond te melken over Stalingrad, ge kent hem, en ineens zegt De Puydt: ''Woorden zijn de kleren van de gedachten." Dat heb ik onthouden.'

'Dat zou dus betekenen dat hij geen gedachten meer heeft. Ik kan dat niet aannemen,' zei Papa.

'Geen woorden maar daden, er zit iets in,' zei de ss'er.

Er was een Sondermeldung, het zesde leger zat in moeilijkheden, het was geen nieuws.

'Dat ik hier mijn tijd sta te verdoen met een glas in mijn hand, terwijl dat mijn kameraden daar...' zei de ss-man.

'Wat houdt u tegen? Het station is op tien minuten te voet,' zei Noel, kribbig als nog nooit iemand hem gehoord had.

==

In Bastegem liep een rij kinderen in blauwe, meestal te korte, schorten aan een touw, vastgehouden door een vriendelijke blozende non. De kinderen met grijze, gefronste gezichten waggelden, wiegden, duwden elkaar verder. Een van hen stak zijn tong uit naar Louis, een ander had een zwarte veeg op zijn voorhoofd, een Assewoensdagkruisje dat nooit was afgewassen.

Een reiger stapte vlak langs bruinrode koeien. Louis meende Boer Iwein Liekens te zien wegduiken achter een vaal gordijntje. Op zijn erf stond een onbewaakt pantserafweerkanon. En toen was de villa 'Zonnewende' er weer, tussen de dahlia's.

Meerke zei dat Louis' haar, dat hij nu met een hoge golf, dik van de brillantine, voorop droeg, onnozel gekamd was. 'Hij ziet er precies uit als het vrouwvolk twintig jaar geleden, precies als ge weet wel, ik zal haar maar niet noemen...'

'Beter niet,' zei Tante Violet.

'Noem haar maar gerust. Haal maar weer oude koeien uit de gracht,' zei Nonkel Armand.

'Dat komt omdat ge met oude koeien omging,' zei Tante Violet.

'Omgaat,' zei Meerke.

'Angelique is drie jaar ouder dan ik,' zei Nonkel Armand in zijn grijs flanel pak, een hooghartige inspecteur waar alle boeren van de omtrek bang voor waren, want hij nam zeer zelden brood of boter of sluikslachtersvlees aan. Meerke had hem een weduwe aan de hand gedaan, Angelique, maar het speet haar nu de ogen uit de kop, want tijdens haar wikken en wegen en bekokstoven en gekoppel had niemand haar durven vertellen dat Angelique in het geheim een liter jenever per dag nodig had, anders kreeg ze hoofdpijn. Daarbij hadden Angelique en haar familie gelogen over haar leeftijd. Nu zat haar lievelingszoon met een oude taart van een dronkelap opgescheept, en bezocht hij nog meer dan tevoren de 'Picardy', terwijl zijn echtgenote in haar eentje 'O, je suis swing, zazou, zazou' wauwelde.

'Om de boeren te klissen moet ge nog een grotere smeerlap zijn dan zijzelf. Dan pas kan je ze te grazen nemen, met al hun vervalsingen, ontduikingen, sluikslachten. Om rechtvaardig te zijn moet ge een deugniet kunnen zijn. En als ik af en toe een keer een baancafe aandoe, is dat omdat ik alleen daar te weten kom wat de boeren allemaal uitspoken. Want met hun zat hoofd vertellen ze alles.'

'Zo kunt ge alles een draai geven,' zei Tante Violet.

'Gij zijt onrechtvaardig,' zei Nonkel Armand. 'En gij zijt de laatste die mag reclameren. Heb ik geen kopersulfaat meegebracht voor uw hof, geen sardienen, geen wit brood?'

'Omdat het uw wittebroodsweken zijn.' Zij lachte haar broer aanminnig toe.

Tante Violet was aanzienlijk opgewekter dan vroeger, zij zag er ook verzorgder uit, in een muisgrijze deux-pieces.

'Wit brood?' zei Louis en kreeg twee boterhammen met reuzel. Hij wou heel langzaam kauwen maar slikte, slokte.

'Ik ben weg.' Nonkel Armand stak zijn fietsspelden vast.

'Doe Angelique mijn complimenten.'

'Ik zal niet mankeren, moeder.'

'Of gaat ge niet naar huis?'

'Bemoei u daar niet mee, moeder.' Hij sloeg behoedzaam op haar breekbaar, kraakbaar ruggetje. Toen hij wegreed liep zij naar het raam, keek hem na en begon te hoesten, heel lang. 'Ik ben er nooit gerust in, in die jongen. Zij zijn in staat om hem van zijn velo te slaan met hun dorsvlegels.'

'Hij gaat niet naar zijn huis,' zei Tante Violet.

'Nee. En ik die zo gerust was in hem, dat hij getrouwd geraakt was, en dat hij niet aan mijn rok zou blijven plakken. En ik die dacht: zij is van een goeie familie, zij heeft een goede educatie gehad! Want zij kan magnifiek zingen, de Ave Maria van Gounod, een stem lijk een klok, en andere klassieke liederen. Maar als ze dronken is, is 't van swing alhier en zazou aldaar en van Charles Trenet. Aan de andere kant kan ze d'r ook niets aan doen dat ze drinkt, ze heeft dat thuis geleerd, haar moeder komt van de kanten van Roubaix, dus rode wijn bij 't eten 's middags en 's avonds, en dan natuurlijk ook zonder het eten. - Zij heeft nogal rap kunnen ondervinden met wat voor een kerel zij getrouwd was, Angelique. Zij waren twee dagen in hun huis, als jonggetrouwen, en hij sleepte een kakstoel naar binnen, een grote leren zetel met een pot erin verwerkt, die hij in een veiling had gekocht voor zestig frank. ''Maar Armand," zegt Angelique, ''wij hebben toch afgesproken dat wij niet direct kinderen zouden maken, in zo'n slechte tijd!" - ''Wie spreekt er over kinderen," zegt hij, ''het is voor mij!" - ''Hoe, voor u?" - ''Wel, ja, voor als ik oud ben!"' Meerke hoestte van het lachen, schraapte haar keel, sloeg op haar dunne knieen in het zwart bombazijn. Louis durfde niet op haar rug te kloppen. Hij ging naar de tuin en zag tot zijn verbazing, vlakbij, op het betegeld terrasje van de eerste verdieping een witblonde jongeman in een kaki zwembroek die zijn knokige witte schouders inwreef met een vette substantie. Louis dook meteen achter de schuur. De jongeman viel voorover, landde op zijn handen, en liet zich toen traag zakken. Louis sloop langs de achterkant van de schuur, langs het kolenhok, naar de keuken.

'Dat is Gerhardt,' zei Meerke. 'De braafste officier die ge u kunt indenken. Zijn ouders zijn alle twee schoolmeesters in Werdau in Saksen en hebben mij geschreven in het Frans om te bedanken dat hij hier zo goed verzorgd wordt. Natuurlijk zijn de pezewevers in het dorp jaloers omdat ze denken dat wij van de toestand profiteren, dat wij er aan verdienen of extra eten krijgen. Achterklap. Zoals in het begin met onze arme Omer. Wat ze daar al niet over uitgekraamd hebben, maar nu is dat wat geluwd.'

'Hoe is het met Nonkel Omer?'

'Louis, ik heb maar een hart en 't is al aan veel stukjes gebroken.'

'Mag hij niet naar huis af en toe?'

'Omer zit goed waar hij zit,' zei zij kortaf.

Gerhardt had een grasgroene kamerjas omgeslagen, hij zei dat Louis een nette Bursche was. Van dichtbij had hij een dunne, wrede mond. Hij had ook geen oorlellen, het teken van de duivel volgens Zuster Sapristi.

Meerke zei dat juffrouw Violet om zeven uur terug zou zijn. Het kon Gerhardt niet schelen, hij hees zich op langs de keukenmuur, klauterde weer op het terras. 'Violet is zot van Gerhardt,' zei Meerke gretig, haar ogen glommen als koffieboontjes. 'En hij, hij is beleefd natuurlijk, op zijn Duits, maar hij ziet haar niet staan natuurlijk. Met dat postuur. Hoe zoudt ge zelf zijn, Louis, als man?'

Omdat Meerke zo'n vileinig wijf was zei Louis toen Tante Violet hijgend aan tafel neerplofte en naar Gerhardt vroeg, dat zij duidelijk slanker was geworden, dat hij het meteen gemerkt had.

'Ja, zij is gesmolten. Zij is vel over been,' zei Meerke schamper.

'Is het waar? Is het waar? Ik dacht het ook,' zei Tante Violet. 'Ik dacht nog: zou ik op de bascule in de gymnastiekzaal durven staan? Het is van de zenuwen. Met die pastoor Mertens die ons aan het kloten is.'

Dat uitdagende, roekeloze blije van Tante Violet had natuurlijk te maken met de aanwezigheid in huis van de blonde officier. Vroeger had zij nooit het woordje 'kloten' gebruikt.

'Pastoor Mertens heeft zich nu openlijk tegen ons gekeerd, Louis. Tegen Meerke, maar nog meer tegen mij.'

'Het is uw eigen schuld, Violet. Een Duitser embrasseren waar Madame Vervaeke van de Bond van Liberale Vrouwen bij staat!'

'Moeder, ik ben meerderjarig. En daarbij dat embrasseren is in alle eer en deugd. Lijk broer en zuster. Daarbij, als pastoor Mertens zijn parochianen tegen ons opstookt, is het om onze Vlaamse gezindheid. Ik heb het duidelijk aan de Eerwaarde Heer Vicaris uitgelegd, maar die houdt natuurlijk zijn paraplu boven het hoofd van zijn ondergeschikte.

Als hij in mijn klas staat voor de godsdienstles, Louis, en ik moet hoesten zegt hij dat ik daarmee achter zijn rug mijn kinderen erop opmerkzaam wil maken dat hij een dwazigheid vertelt. Als hij preekt in de kerk, zegt hij dat ik een grijns op mijn aangezicht trek om hem uit zijn concentratie te halen. Als hij niet uitscheidt met mij te plagen, ga ik regelrecht met Gerhardt naar de Kommandantur van Gent.'

'Maar de Kommandantur trekt zich daar niets van aan, Tante!'

'Ah nee, zeker! Ook niet als ik vertel dat hij naar Radio Londen luistert? Dat hij van jonge gastjes boy-scouts wil maken? Hij is altijd tegen de Vlaamse gedachte geweest. Van ver voor de oorlog! Felix Baert, een boer met vijf kinderen, heeft hij in het jaar Zesendertig van zijn hoeve doen zetten, van een hoeve die eigendom van 't bisdom was, omdat Felix een Leeuwenvlag had uitgestoken. Mijnheer Godderis, de secretaris van de Vlaamse Oudstrijders, heeft hij getracht te broodroven door hem aan 't Ministerie aan te klagen als Dinaso. Mijnheer Beulens, omdat hij de zang op de piano begeleid had op het Gulden Sporenfeest...'

'Gij moogt u niet opjagen, Tante.'

'Hij heeft mijn congregatiekaart afgepakt!' riep ze.

'Violet, ge ging toch niet meer naar de congregatie.'

Tante Violet at vier borden karnemelkpap met schijfjes appel.

'Hij heeft mij uitgesloten van het zangkoor, van de congregatie en van de Derde Orde. En als hij het Heilig Sacrament heeft uitgestald, kijkt hij naar mij met ogen als karbonkels. En 't ergste, Louis, hij beschuldigt mij dat ik met Nonkel Firmin arm aan arm op de kermis heb gewandeld!'

'Bij wie beschuldigt hij u?'

'Hij laat dat zo langs zijn neus weg vallen in de vergadering van het Rood Kruis, waar er veel flaminganten zijn.'

'Maar ge moogt toch met de man van uw zuster gearmd lopen.'

'Niet met een jood! Maar het ergste is, verstaat ge dat of wilt ge dat niet verstaan, dat het niet waar is! Integendeel, Meerke hier kan getuigen. Zij en ik hebben alles in 't werk gesteld om te beletten dat onze Berenice met een jood zou trouwen. Meerke heeft geweigerd haar handtekening te zetten als zij dan toch getrouwd zijn. Wij hebben allemaal, de hele familie, geprobeerd, met goedheid en kwaadheid, met bedreigingen en gezond verstand, om Berenice van die jood af te houden. Het ouderlijk huis is haar ontzegd, jaren lang.'

'Geen voet mocht ze hier binnen zetten,' zei Meerke.

'En waarom is zij hier weer binnengeraakt? Omdat mijnheer Alex Morrens, die onze arme Omer lastiggevallen had in de cabines van Bastegem Excelsior en een klets op zijn kaak gekregen had, overal ging rondvertellen...'

'Waarom viel mijnheer Morrens Nonkel Omer lastig?'

'Violet,' zei Meerke en hoestte heel kort.

'Omdat hij... eh... een kwestie van geld, geloof ik.' (Gelooft zij? Liegt zij!) 'In ieder geval strooide hij overal rond dat Berenice en Firmin wettelijk gescheiden waren, en dat hij persoonlijk Berenice om drie uur 's morgens met een andere vent uit de 'Cocorico' had zien komen, strontzat. En het is om die laster te logenstraffen...' Tante Violet hief haar mollige vinger, haar stem zwol als om de jongens op de laatste bank te bereiken, '...en om de schande van ons af te wentelen dat wij het raadzaam geacht hebben om haar weer in ons huis binnen te laten, en daarom en daarom alleen heb ik besloten om mij en plein public op de kermis te laten zien in het gezelschap van mijn zuster en haar wettelijke man. Maar gearmd? Alstublief! Met die Firmin die heel zijn leven een blok aan ons been is geweest.'

'Nog altijd,' zei Meerke. 'Soms slaat de daver mij op het lijf als ik er aan denk dat hij hier in een keer voor onze neus zal staan.'

'Of dat hij aangehouden wordt door de Duitsers en dat wij met zijn allen verhoord gaan worden op de Kommandantur voor zijn anti-Duitse propaganda.'

'Ge zoudt hem kunnen wegsteken. Op de zolder of in de kelder,' zei Louis.

'Lijk een hond!' riep Meerke.

'En Gerhardt dan?' overschreeuwde Tante Violet haar. 'Hij riekt een jood op een kilometer afstand. Hij zou hem naar de keel vliegen!'

Meerke breide. De avond, de avond met de dorpskinderen juichend ver weg, de stoomtrein die langs dendert waardoor de tuin begint te stomen en te dampen en de ontwortelde perenbomen en kerselaars vlotten, de flitsende kriekrode sprankels van de kolen van de trein, Meerke die hoest, Tante die knabbelt en slurpt aan een varkenspoot.

==

Omdat er geen gordijnen in het voutkamertje hingen werd Louis wakker door het eerste zonlicht. Op zijn blote voeten liep hij in het natte gras, zoals de antieke god die zijn kracht uit de aarde kreeg.

Maar na een tiental danspassen werd het te koud, trouwens minuscule beestjes konden tussen je tenen blijven zitten en daar woekeren en eitjes leggen die ontkiemden en hun weg zochten door je vlees en in je ruggenmerg bleven wonen. Dwars door een veld van miljoenen krioelende Miezers rende hij naar binnen, droogde koortsachtig zijn voeten met de keukenhanddoek.

Er was geen wit brood van Nonkel Armand's wittebroodsweken meer over, de gulzige vrouwen hadden geen kruimel overgelaten. Van het klef donker brood rolde hij een worst tussen zijn handpalmen, de worst vulde zijn mond helemaal, traag gleed de lauwe modder in zijn keel. Hij zag in de scheerspiegel van de keuken een deegwit gezicht met rode oorlappen. De haan kraaide. Vandaag zou hij Raf opzoeken. Als zij groter waren en als het geen oorlog was zouden zij samen kunnen jagen. Zogezegd naar wild, maar eenmaal in de weiden, vlam, knal, in de bruinrode gezwollen buiken van koeien. Een boer komt vloekend aangelopen. De grofst mogelijke hagel patst in zijn zwartehandelboerengezicht, kop spat uiteen. Volgend jaar zie ik er uit als achttien en meld ik mij bij het Vlaams Legioen.

Uit de handtas van Tante Violet (haar sacoche) stal Louis zes stukjes van vijf frank, liep gebogen als Rigoletto naar het voutkamertje en sliep meteen weer in.

==

Een rekening van de Broeders van Sint-Vincent lag in Meerkes schoot. 'Omer kost stukken van mensen,' zei ze triest. 'Waar moet ik dat geld blijven halen? Vooral dat ik denk dat al dat schoon geld toch niet helpt. Niet dat ik het onze Omer niet gun, maar hij zal toch niet meer genezen. Hij is geslagen door Onze Lieve Heer. Hij krijgt daar alleen maar witte bonen en wij moeten ons daar blauw voor betalen. Zijn haar valt uit. Op zijn ouderdom. Hij zegt het ene schietgebedje na het andere. En hij zit de hele dag met zijn kop tussen zijn knieen. De broeder zegt dat hij uit zijn eigen voelt dat het goed is voor de doorstroming van zijn bloed. Ik had een prachtig boek meegebracht voor hem, De Ridder van het Slot van Laarne, maar hij wil het niet lezen, want als er een jonge adellijke vrouw in komt die paard rijdt in de middeleeuwen, brengt hem dat op rare gedachten, zegt hij. Hij heeft gevraagd aan de broeders of zij zijn handen willen vastbinden als het avond wordt, maar daar beginnen zij niet aan, zeggen ze, want als de anderen het zouden zien, zouden ze allemaal willen vastgebonden worden.'

Tante Violet was te laat voor de mis, maar bakte toch eerst nog een eendenei terwijl ze de rekening nakeek.

'Armand moet meebetalen,' zei ze. 'Al was het maar de was.'

'Hij wil niet.'

'Hij moet, moeder. Al was het maar uit christelijke wroeging om wat hij zijn broer heeft aangedaan.'

'Hij heeft hem niks aangedaan. Het is toeval. Het zat er al van jongsaf in, in Omer. Hij heeft dat van zijn grootvader, die had ze ook niet alle vijf.'

'Oeioeioei,' riep Tante Violet terwijl ze aan de bakpan schudde, 'de mis is al begonnen!'

Zij hoorden gezang, het leek op Tantum ergo gezongen door de koster Ceulemans bijgenaamd Geite vanwege zijn geluid van gekwelde, uitgehongerde ongemolken geit. Zij zagen hoe de koster op straat een losgebroken koe achternazat en psalmodierend trachtte te bedaren. Het was een witzwarte, dus Hollandse, koe. De heilige koeien in Indie. Als je ze zou slachten zou niet een Indier van honger omkomen. De nomaden in Afrika zijn slimmer, zij openen een ader bij de koe, tappen het bloed af, maken er bloedpannenkoeken van, plakken de ader weer dicht met modder. Om het herkauwsysteem en de spijsvertering van de koe te bestuderen knipt men een rechthoekig luikje in haar buik, men brengt een mica raampje aan als bij een vulhaard, en men ziet wetenschappelijk het gras veranderen.

Louis niesde, haalde zijn zakdoek te voorschijn, de gestolen zilverlingen rolden over de vloer, rinkelden. Schuld, als een van bloed kletsnatte handdoek, golfde over zijn gezicht. Een muntstuk bleef in een sierlijk boogje rollen.

'Het is mijn spaargeld,' zei Louis snel.

'Het is uit mijn sacoche,' zei Tante Violet ijzig. 'Ik heb het direct gezien vanmorgen. Peinst ge dat ik achterlijk ben? Op uw knieen!'

'Is dat onze stank voor dank?' riep Meerke.

'Op uw knieen in de hoek,' zei de vette onderwijzeres. Hij legde zijn voorhoofd tegen het behangpapier.

'Zo krijg ik het ene verdriet na het andere.' Meerke hoestte.

'Gij hebt geluk dat ge de mijne niet zijt!' Het idee dat Tante Violet ooit een kind zou hebben, laat staan dat hij het zou zijn, deed Louis voor de zoveelste keer gillen, schateren van binnen. Haar geoefend pedagogisch oog merkte het, zij sloeg uit alle macht tegen zijn wang. 'Schweinhund!' riep zij en raapte de munten op, zocht ernaar onder de tafel, richtte zich steunend op.

'Het verdriet van Belgie, dat zijt gij,' zei Meerke en hapte naar adem met een rauw snurkje. Toen hoorde hij met zijn eigen flaporen Tante Violet binnensmonds vloeken. 'Godverdegodver, rotte smeerlap, die in mijn sacoche zit, in mijn foto's en mijn brieven zit te snuffelen!'

(Haar sacoche! Weer moest hij grinniken en gieren van binnen, want Vlieghe zei het vlakbij in de verre monotone begraven mufstinkende tijd van dat ander Vrouwenhuis in Haarbeke, 'Gij hebt in haar sacoche gezeten' en bedoelde de handtas van vel en vlees en haar dat tussen vrouwenbenen zit.)

Zijn wang gloeide. Als Raf maar niet op het onverwachts binnenkwam.

Na een uur mocht hij uit zijn hoek en moest hij bier brengen naar vier mannen in zwembroek, onder wie Gerhardt, die in de tuin zaten te kaarten. 'Danke, Bursche. Herzlichen Dank.'

Toen Tante Violet van haar school terugkwam vroeg zij aan de officieren of ze een Schnaps wilden. Alleen als zij dit in haar badpak wou serveren, zei een dikkerd die een vacht grauwe krullen op zijn rug droeg. 'Aber Ulrich doch,' zei zij blozend. Toen zij terugkwam met jenever had zij een bloesje met korte mouwen aangetrokken, haar papperige onderarmen schudden toen zij een aanzet van een knix maakte. Gerhardt legde een achteloze hand op haar billen. Tante Violet bleef staan, ineens van beton, en bleef loeren naar de haag alsof de vervaarlijke pastoor Mertens achter het dicht gebladerte zat. Daarna zongen de vier zonaanbidders van 'Sie hat die Treu gebrochen, Mein Ringlein sprang entzwei'. De dikke Ulrich keek door zijn verrekijker in de richting van Engeland.

==

Was er door de dampen van het kruit van de oorlog een of andere wolk vol Miezerachtige bacillen over het dorp Bastegem en zijn bewoners gedaald?

Zoals Tante Violet veranderd was in een onwaarschijnlijk vloekende, meppen uitdelende maagd, Nonkel Armand van flierefluiter was uitgegroeid tot een rechtvaardige beul van landbouwers, Nonkel Omer een haarloze debiel was geworden die een tijdje lang door de Bastegemse straten liep met een koeienbel en naar de dorpelingen balkte: 'Ga toch naar de mis, alstublief,' waarna het pastoor Mertens zelf was die de veldwachter had gewaarschuwd, zodat de van liefdesverdriet als een rotte tomaat gespleten sukkel nu bij de peperdure Broeders van Liefde van Sint-Vincent verbleef waar hij soms zijn medepatienten besprong 'als een koe op een koe', zei Nonkel Armand, zo was ook Raf de Bock veranderd, in wat? in een danser. Hij volgde balletlessen in Gent.

Zij liepen samen in de dreef, Raf met een verende pas die Louis op zijn minst overdreven vond.

'Als ik aan de barre sta ben ik een ander mens, ik weeg geen twintig kilo meer.' Hij hield zijn armen halfgestrekt voor zich, de vingertoppen raakten elkaar, hij hief een been, schoof het naar achteren, spreidde zijn armen. 'Arabesque!' riep hij, 'Assemble!' en plofte in het gras. Hij betaalde de lessen in Gent met wat hij van de boeren kreeg aan wie hij zijn danspassen liet zien. Twintig frank voor tien minuten. 'Bourree!' De boeren konden niet genoeg van hem krijgen, het gebeurde meestal in het volle veld, waar de boerin het niet kon zien. Ook koster Geite betaalde.

'Als het aan Geite lag, zou ik een hele middag moeten dansen. Zijn ogen puilen uit hun kassen.'

Jules Verdonck was aan zijn schaafbank bezig een ovaal raampje glad te schuren. Het leek alsof hij Louis niet herkende.

'Hebt ge niks anders te doen, gij twee, dan een mens die zijn boterham moet verdienen lastig te vallen?'

'O, Jules, gij zijt toch een geestigaard!' Raf gooide een handvol houtkrullen in de lucht, hij deed alsof hij zijn vingernagels bijvijlde met een grote rasp, hij draaide aan het wiel van een machine die op een proefpers in Papa's atelier leek. Met inkt en lappen. Maar geen letters.

'Blijf daar af!' snauwde Jules.

'Zijt ge met het verkeerde been uit uw bed gekropen, Jules? Gij die anders de vriendelijkheid zelf zijt. Is 't omdat ik onze Louis meegebracht heb? Is dat het?'

Jules grijnsde scharlaken tandvlees bloot. 'Nu zien ze ons wel staan, de heertjes uit de stad! Omdat hun maagje roept van de wrede honger. Juist of niet juist? Nu lopen ze wel de boerderijen plat. En niet voor onze schone ogen. Juist of niet juist?'

'Is hij thuis?' vroeg Raf.

Jules staarde naar Louis met wilde, bleke ogen onder wenkbrauwen als twee vergeelde snorren. 'Gij... gij gaat nog afzien.'

'Waarom?'

'Weet ge 't zelf niet?'

'Nee.'

'Ge denkt toch niet dat er speciaal voor u, heertje, een uitzondering zal gemaakt worden. Ge gaat nog afzien, lijk al de ketters want zij dolen.'

Van tussen de bestofte werktuigen die op een hoopje lagen nam Raf een knijptang en kneep ermee in Louis' mouw.

'Is hij thuis?' vroeg hij weer.

'Kijk naar buiten!' riep Jules heftig. 'Is het donker?'

'Nee.'

'Wel dan is hij thuis!'

'Slaapt hij?'

'Die mens kan niet slapen door het verdriet dat hij heeft om de wereld.'

'Zoals Jezus van Nazareth.' Raf maakte plechtig een kruisteken met zijn tang.

'Hij studeert.' Jules schuurde verder het jonge, reine hout. 'Hij vraagt naar u, bijkans alle dagen.'

'Oei, oei.' Raf flutterde met zijn opkrullende, dikke wimpers.

'Maak het niet te lang,' zei Jules.

Zij gingen in de bijschuur langs een wankele trap naar een platform. Raf roffelde op de deur, drie korte, twee lange klopjes. Een geur van azijn waaide hun tegemoet voor de deur openging en een man zijn armen spreidde. Louis wou vluchten, maar Raf had dit voorzien en kneep als met Jules' tang in zijn arm. De man had een zwarte wollen mantel om als Zorro. Om zijn hoofd had hij een vage tulband van rood satijn gewikkeld, half tulband, half vrouwensjaal, zijn rechteroor piepte er uit, het was gekarteld en vol korsten. Zijn gezicht, een ivoorwit masker dat met een elastiekje vastgemaakt was, glom. Een volmaakt, in een etalageglimlach geboetseerd rozig mondje liet een donkere gleuf vrij waaruit gesis weerklonk. In het rimpelloos gaaf gewelfd voorhoofd vormden twee elegant geverfde streepjes de wenkbrauwen, in de oogspleten blonken zwarte ogen met felrode randen. De man hield zich kaarsrecht. Zijn naakte voeten waren lang en wit zoals de hand die op Rafs schouder rustte. 'Lief,' zei de verschroeide stem. 'Lief.'

'Hartendief,' zei Raf. En genoot van Louis' ontreddering. Hij zou Louis tegen de zwarte man aangeduwd hebben, Louis was al achteruit gestapt, maar de man zei Louis' naam en voornaam, het was een uitnodiging. (Ik ben in de repetitie van een historisch stuk, Lode Monsieur Chichi Lagasse zal zo meteen in een parelende aria losbarsten, deze vermomde Ridder van het Kasteel van Laarne zal zich in het laatste bedrijf ontpoppen als de prins van Rafs dromen. Lief. Lief.)

'Ik ben Konrad.'

In de kamer zat de man neer op een melkstoeltje, stond meteen op, bood Louis het stoeltje aan en leunde tegen de gekalkte muur naast een potkachel en een rek dat vol gesteenten lag, zandrozen, bokalen met felkleurige poeders en wonder boven wonder, een rij houten afficheletters, het ouderwetse type Hidalgo. De geur van azijn, medicijn en een vleugje stro.

'Hoe is het met uw tante?'

'Goed,' zei Louis.

'Maar ge hebt twee tantes. Hoe kondt ge weten welke ik bedoelde?'

'Ik dacht dat het om Tante Violet ging.'

'Violet interesseert mij niet, of liever, zij interesseert me wel, maar ik weet te veel van haar, zo niet alles. Nee, wat ik van u wilde horen, mijn liefste, was of er enig nieuws bekend is over Berenice.'

Hij houdt mij voor de gek. Mijn liefste. Komt hij uit een streek waar men dit te pas en te onpas zegt, ook aan onbekenden? Het onaards gezicht met de gladde wangen scherp afgesneden tegen het roodpuisterige van zijn keel en nek, bewoog, ging tot bij het betralied raam, keek even naar buiten en boog zich over Raf die trommelde op de tafel, bedekt met keien, gesteenten, boeken, papieren met tabellen en berekeningen, een kaart van de hemel en zijn sterrenbeelden, een paar gehaakte zwarte handschoenen, vier potloodjes met bleke en stuk gekauwde uiteinden.

'Wij denken dat Berenice in Frankrijk, in de vrije zone, verblijft. Wij hebben niets meer van haar gehoord.'

'Of van hem?'

'Of van hem.'

'Een merkwaardige vrouw, Berenice Bossuyt. Toen ik haar kende, ver voor uw tijd, had zij haar gelijke niet in godsvrucht en versterving.'

Raf nam een puntige, vormloze bruine steenbrok op en draaide hem tussen zijn vingers. 'Als ge kunt raden wat dit is, Louis mon ami, dan zijt ge een slimme bol. Dan zoudt ge in aanmerking kunnen komen voor de club van de uitverkorenen.'

'Een steen, een gesteente uit de woestijn.'

Raf riep dat het stront was. Konrads geslachtloos onaangetast onaantastbaar masker knikte waardoor de hoofddoek achterover schoof en een roze schedel met roestvlekken zichtbaar werd. Konrad had ooit ernstige brandwonden opgelopen. Hij schikte het doek met een nuffig gebaartje.

'Maar Louis heeft ook gelijk. Het was excrement en nu is het steen.'

'Konrad is zot op stront. Hij smeert zijn eigen in met geitenstront.'

Louis kon zijn lach niet bedwingen. 'Met keutels?'

'Gemengd met haver, honingazijn, boter en nootolie.'

'Hij zou het ook durven drinken.'

'Met witte wijn. Zeer afdoende tegen geelzucht.'

Het kamertje zat vol met het donker gegons en gesuis van Miezers.

'Konrad heeft een echte diamant. Als hij doodgaat krijg ik hem, het staat geschreven in zijn testament en dat ligt bij notaris Baelens.'

'Wat onze lieve vriend beweegt...' (Al dat lief, lieve, liefste. Was Konrad een jood? Joden zijn ook altijd zo smerig innig met elkaar.) '...is hebzucht. Maar na mijn heengaan zal Rafael door de diamant veranderen. Want dan zal hij helemaal beveiligd zijn tegen de duivel.'

'En tegen giftige paddestoelen,' zei Raf. 'En tegen slechte mossels.'

'Zijn gebreken zullen zich omkeren in hun tegenovergestelden. Zijn ziekelijke wellust zal zichzelf opheffen.'

'Gij moet vooral spreken over ziekelijke wellust.'

'Die geldt jou alleen, amore.'

'Wij hebben een keer in het donker pastoor Mertens gezien die het Heilig Oliesel ging brengen naar de seinwachter. Konrad schrok zich dood, hij verslikte zich en koerste lijk een zotte koe door de velden en pakte gauw het ijzerdraad van een afsluiting vast.'

Door het raam was het dorp te zien, huisjes tegen elkaar als de dominosteentjes in de speelzaal van Haarbeke. Ik moet ook een testament maken, zo snel mogelijk. Zal men dertien grote kaarsen rond mijn kist zetten? Het is een ongeluksgetal.

'Wat is er, engel?'

'Niets,' zei Louis.

'Ge moet niet aan de dood denken. Niet bang zijn. Ik ben niet besmettelijk.'

'Uw lichaam niet in ieder geval,' zei Raf vrolijk.

'Hoe maken de Teutonen het in uw huis?'

'Goed, denk ik.'

'Zij vertonen zich aan de bevolking van op uw terras. Het is onverstandig van Violet en haar moeder.'

'Daar kunnen zij toch niks aan doen.'

'Zou Violet hen niet aangezet hebben om zich uit te kleden, de zon te aanbidden?'

'Helemaal niet. De vloer van het terras was kapot, het regende er door, het zijn de Duitsers zelf die voorgesteld hebben om het te repareren. Zij hebben het lek met hun branders dichtgekregen, en omdat het die dag snikheet was hebben zij hun kleren uitgedaan om beter te kunnen werken. En de volgende dagen ook.'

'Omdat het zonaanbidders zijn,' zei Konrad scherp door de horizontale spleet. 'Daarom zullen zij door een zwarte zon uitgeroeid worden.'

De Miezers suisden, naderden. 'Waarom?'

'Zij dragen de zon in hun teken, en zondigen als de Azteken.' Het rijmde.

==

Raf en Louis liepen langs het sashuis waar op de gevel een affiche geplakt was met zigeunergezichten die gezocht werden. Bekka's vader was er niet bij. Gerard, de sasmeester zei: 'Aha, de jongens van het goed leven!'

(Een week geleden had Louis rapen getrokken uit het veldje achter het sashuis. Er was overeengekomen dat hij er twintig mocht trekken, hij trok er vijf extra. Toen hij het sashuis binnen ging om de rapen te wassen in de achterkeuken vond hij er niemand. Vanuit de voorkamer, waar niemand ooit kwam, hoorde hij een rasperige mannenstem zeggen: 'Heel Europa is een slachthuis geworden, Gerard, volksverhuizingen regelrecht naar het slachthuis, er kan geen God bestaan, we houden onze ogen op de stroom van het water anders zouden wij heel de voyage bleiren, Gerard.'

De deur kwakte open en Gerard schrok zichtbaar toen hij Louis zag.

'Ha,' deed hij. 'Ha.' Achter hem zat een hologige schipper. 'Ha,' zei Gerard, 'ga maar gauw naar huis. Ik heb bezoek van mijn kozijn.' Kozijn, jaja.)

Raf liep vlak langs het water, langs het turkooizen kroos waaruit gasbelletjes ontsnapten, waaronder de lijken lagen van Mei Veertig, van Veertien-Achttien, van de Spaanse Furie, van de lijfeigenen en laten. Raf molenwiekte, op een been, aapachtig gracieus. Bourree! Als hij in de Leie valt moet ik er dan achteraan? In die groene smurrie duiken?

Zij liepen naast elkaar boven op de berm. In de verte een aak die nieuws bracht uit Europa.

'Uw vriend met zijn masker en Jules drukken dingen die het daglicht niet mogen zien.'

'Het zou kunnen.'

'Waar halen ze het papier?' (Papa die dagelijks lamenteert over de papierschaarste.)

'Weet ik niet.'

Maar Raf kon het niet laten gewichtig te doen, de kern van hoogstgevaarlijke samenzweringen te zijn. 'Zij krijgen het papier van Geite de koster.'

'En waar haalt Geite papier?'

'Van pastoor Mertens.'

'En hij? Van het bisdom?'

Raf haalde zijn schouders op.

'Waarom vertelt gij mij dat? En uw vriend.' (Ik val liever dood dan dat ik zijn nam uitspreek.) 'Waarom zegt hij aan mij, een onbekende die misschien naar de Gestapo gaat straks, dat de Duitsers uitgeroeid zullen worden?'

Raf trok met duim en middelvinger zijn onderste oogleden ver naar beneden en duwde met de wijsvinger van zijn andere hand de top van zijn neus naar omhoog. Zo zag zijn vriend eruit onder de gladgelakte kunststofhuid.

'Gij zijt geen onbekende, liefste.'

Holst stond wijdbeens bij het hek, achter hem de coniferen, de eeuwenoude eiken, het plat, grijs grasveld doorschoten met onkruid. Hij had een bruin ribfluwelen pak aan en klompen.

'Gij zijt niet in uniform,' zei Raf.

'Ik ben in verlof,' zei Holst.

'Gij moogt uw grasveld wel eens verzorgen.'

'Ik ben er mee bezig,' zei Holst verontschuldigend als tot een officier.

'Ge zoudt een bende konijnen moeten opzetten.'

'Dan kan ik dag en nacht op mijn pelouse blijven zitten. Met dat crapuul in het dorp tegenwoordig. Zij roven de broek van uw gat.'

'Hoe lang hebt ge verlof?'

'Dat gaat u niet aan.'

'Gij krijgt zoveel verlof de laatste tijd.'

'Gaat niemand wat aan. Waarom vraagt ge dat?'

'Het valt op, dat is alles.'

Holst deed het hek achter hen dicht, loerde naar de weiden, de velden waar achter hooioppers Witte Brigademannen en hun communistische volkscommissarissen spiedden, machinegeweren in de aanslag.

Toen ik een Apostel was, leek Holst een reus; hij is hooguit een meter tachtig, ruim tien centimeter boven de vereiste lengte voor de ss, maar voor de muur van het Gesticht leek hij, pakweg, twee meter; deze Holst heeft niets meer te maken met de engel die ik in mijn smal kwalijk riekende bedje in het Gesticht opriep, aanbad, naar wie ik mijn geluidloos gebabbel richtte: Kom mij halen, engel, die de opdracht vervult knecht van mijn tirannieke Peter te zijn, kom mij halen, ik zal op mijn beurt jouw paladijn zijn, verlos me, ik zal je koffer dragen door de taiga, de erg, de llano, alle woestijnen en vlaktes van de kruiswoordraadsels.

In de keuken - wanden met vierkante, witte tegels, donkergroene kasten, koperen kranen, aanrecht vol vaatwerk - hingen twee hammen.

Raf kon er zijn ogen niet van afhouden. Vannacht zou hij hier binnenbreken. Zij dronken bitter cichoreisap. Holst zei onwennig: 'Louis, luister. Luister goed. Ge moet aan uw Peter zeggen dat ik hem al twee keer geschreven heb, maar dat de brieven misschien niet aangekomen zijn. Zeg hem dat ik weet dat hij het niet gaarne heeft maar dat ik toch bij de Vlaamse Wacht ben gegaan om de redenen die in de brief, de brieven, staan. Maar dat ik ook zeer goed besef dat het niet verstandig is.'

'Ja, want ze beginnen op u te schieten de laatste tijd.'

'Wie zegt dat?'

'Ik heb dat gehoord.'

'Van wie?'

'Van een Vlaamse Wachter op de trein.'

'Zijn naam? Welke eenheid?'

'Oskar noemden ze hem.'

'En hij zegt dat zo maar in het openbaar? D'r zijn daar orders over.'

Naast de grootste keukenkast vol porselein stonden op een dweil twee ineengezakte, zwarte, bestofte laarzen. Iemand had ze daar een lange tijd geleden neergezet en toen vergeten. Troosteloze relieken.

'Zijt ge nog altijd in de kazerne Coucke en Goethals?' vroeg Raf.

'Dat gaat u niet aan,' zei Holst mechanisch, en haalde een woudgroene fles uit de kast, schudde er aan zodat zwarte takjes en sprietjes en vlokjes begonnen te tollen. Toen ze weer tegen de bodem lagen schonk hij in. Het was bitter en zoet tegelijk en heel sterk.

'Zeg aan uw Peter...'

'Zeg hem dat Holst gewoon een landverrader is, punt uit,' zei Raf.

'...dat ik niet anders kon.'

'Een mens is verantwoordelijk voor wat hij is, Holst, punt uit.'

'Gij hebt geen recht van spreken, gij!' zei Holst.

'Allee, allee, Holst, ge hebt u laten inlijven omdat Madame Laura het u gevraagd heeft, amen en uit.'

'Nooit van zijn leven!'

'Als zij het u niet gevraagd heeft, hebt gij uw eigen wijsgemaakt dat zij het zou willen vragen. Of alleen maar zou willen. Gij hebt het in uw kop gestoken dat zij u liever zou zien in een blauw uniform, met een bajonet van vijfendertig millimeter, en die stomme Hollandse helm op, dan als een plompe lompe boer die voor boswachter speelt.'

Holst staarde naar de blauwe vloertegels. 'Gij hebt geen recht van spreken, gij.' Hij schoof de fles naar Raf die dronk.

'Hebt ge uw grasveld besproeid?' vroeg Raf. 'Nee? Het ziet er nochtans zo uit. Nee, echt niet? Niet met dat goedje tegen de coloradokevers?'

'Er is een Engelse vlieger overgekomen een week of vier geleden,' zei Holst. 'Het zou kunnen dat hij iets gesproeid heeft. 't Schijnt dat ze al de oogsten kapot gaan schroeien met hun vuiligheid.'

In het labyrint van de belle dame sans merci. Achter Holst's massieve rug aan over de niet goed aaneengesloten, brede, gebeitste planken van de gang op de eerste verdieping. Raf fladderde met zijn handen, deed een vleermuis na. De pasgeverfde duiveneiwitte deur. Uit de afgesloten zolder daalde een lucht alsof daar een wintertuin groeide, een jungle tot tegen de pannen.

Haar kamer? De ruimte deed Louis aan de turnzaal van het Atheneum denken waar ooit een demonstratie van vendelzwaaien was gegeven, dezelfde honinggele plankenvloer, de hoge stolpvensters met spanjolet, de beige, vrouwelijke kleur van kale muren en gelakte deuren.

Zonderling verloren stond tegen de schoorsteen een ijzeren veldbedje met een grauw hoofdkussen waarop een satijnen damesschoen lag. Ja, zij sliep gewoonlijk hier, zei Holst. Naast de poten van het bed lagen ineengepropt, door een woedende gigant weggekeild, een blauw uniform, een broodzak, beenlappen, twee verfrommelde zakdoeken. Ook een kleurenfoto in een aluminium lijstje van twee gearmde jongedames met grote, witte hoeden op.

'Is dat haar zuster?' vroeg Raf. 'Beatrix?'

'Blijf daar af.'

'Zo. Dat is dus Beatrix,' zei Raf en legde het lijstje precies weer op dezelfde plek. 'Beatrix, moet ge weten, Louis, is de maitresse van Standartenfuhrer Hebbel en verblijft op dit ogenblik in haar appartement te Parijs, vingt-quatre, rue Saint Andre des Arts, juist, Holst? En zonder haar lieve zuster Beatrix zou Madame Laura, niettegenstaande al haar connecties, allang met haar klikken en klakken uit haar huis in de Avenue Louise buitengewipt zijn. Omdat ze het soms te bont maakt, juist, Holst?'

'De tijd zal komen,' zei Holst log, 'dat gij een beetje te veel op de hoogte zijt geweest.'

'Maar ik ben op de hoogte, juist, Holst?' Raf stootte een kinderachtig trots lachje uit. Hij zat op het piepend veldbed, stak zijn hand in het groen satijnen damesschoentje, bewoog de door een hond kapotgekauwde punt.

'Zij maakt het niet te bont. Het is alleen maar dat ze ongelukkig is. Dan doet een mens rare dingen.'

'Daar zegt ge een waar woord, Holst.'

'Zij is te goedgelovig.'

'Zoals wij allemaal, Holst, wij allemaal.'

'Zij was gelukkig, de zaken gingen goed, haar meisjes werkten vlijtig, geen miserie, de clienten betaalden op tijd en stond, de champagne stroomde, Moritz kwam elke dag in zijn Mercedes, en dan in een keer... ach jongens, de oorlog, de oorlog.'

'Waar zit hij nu, Moritz?'

'In de soldatenhemel.'

'Ik heb daar niks van gehoord.'

'Hij ligt begraven in zijn eigen tuin. In een stadje van 't Zwarte Woud. Speciale toestemming van de Fuhrer. Hij is tot Hauptsturmfuhrer benoemd na zijn dood. Want ook een tram in Luik wordt beschouwd als slagveld. Zijn ordonnans is bevorderd na zijn dood. Zij heeft het voelen aankomen, de laatste week dat wij in Luik waren wilde zij niet dat Moritz het huis uitging 's avonds. Ik zie haar nog staan, zij hield hem vast aan zijn knoop, maar hij luisterde niet, natuurlijk niet, hij was nog maar pas terug uit Bjelgorod met twee gaten in zijn kuit. En die dag liep ze over en weer, zij dronk het ene glas champagne na het andere. ''Ik weet niet wat ik heb, het jeukt en tintelt. Zou het van de zenuwen zijn? Ik heb niet de minste reden. Zou Moritz een ander lief hebben? Hoe ver is het van Luik naar Brussel, met dit weer?" De bel ging en ze wordt wit als de dood. ''Doe niet open," zegt zij, ''alstublieft. Nee, zeg dat ik niet thuis ben. Nee, ik ga toch," en de Standortarzt stond daar en vertelde het, van Moritz en zijn ordonnans, dat zij naar een Obstfest gingen en dat de Witte Brigade moet geweten hebben dat de Mercedes in de garage was blijven staan en dat hij van de Ministerialrat de tram zou nemen. ''Dat weet ik," zei zij, wit als de dood, ''hij neemt dikwijls de tram, want hij staat gaarne tussen Belgische mensen, hij vindt Belgische mensen pittoresk, en waar is hij nu, waarom is hij niet meegekomen?" "Ge hebt mij niet verstaan, Frau Laura, de tram is ontploft, vier Luikenaars en de tramconducteur zijn ook dood, samen met Moritz en Ruwein, zijn ordonnans." Dan is zij beginnen roepen, haar gebit viel uit haar mond en zij kreeg haar mond niet meer toe, zij kon niet anders dan roepen, tot de Standortarzt haar een spuitje heeft gegeven. Twee dagen later stond het meisje van de droogkuis met Moritz's uitgaansuniform aan de deur. Gelukkig heb ik het kunnen wegsteken zonder dat ze het zag. En omdat zijn vrouw in het Zwarte Woud de opdracht gegeven had, zijn zij alles komen opeisen wat hij bij Madame Laura had laten liggen, zijn juwelen, kleren, koffers, sigarenkistjes, boeken, en in haar verdwazing heeft ze alles laten wegslepen tot zijn ondergoed en sokken toe en het enigste wat zij nog van hem heeft is dat daar.'

'Waar?'

Raf trok de buikige kleerkast open. Een feldgrau-uniform hing, smetteloos en strak gestreken als een voorname elegante vogelverschrikker in de kast. Omdat de kepie met de drie tressen onder de blaadjes zilveren eikenloof er bovenop hing en tegen de randen van de broek twee volmaakt gepoetste zwarte molieres stonden, leek het alsof de man in het pak door een alles verpoederende, door de Engelsen binnenskamers verspreide geheime straal die textiel heel liet, was verzengd, opgelost. Een wit hemd met lange boordpunten, een zwarte das strak geknoopt, het eikenloof met de drie strepen op de jaskraag, het ridderkruis, de sportmedaille, een hakenkruis in een porseleinen knopje, alles bevestigde de man Moritz terwijl hij afwezig was. Raf gaf een kwiek duwtje tegen de kleren, die wiebelden, de koppelriem met de adelaar viel op de holle houten kastbodem.

Holst greep Raf bij de keel. 'Gij hebt geen respect, gij!' Raf maakte zich met een dansende beweging los.

'Kalmeer u, Holst.'

Holst kreeg vochtige ogen, zijn ogen zweetten. 'Ja. Ge hebt gelijk. En toch... Ik kan nooit goed doen bij u, of bij Konrad. Altijd houdt ge mij voor de zot, gij tweeen.'

'Omdat ge zot zijt,' riep Raf. 'Zot van die teef van een Madame Laura!' en ging de kamer uit. Louis volgde, toen Holst ook.

In de keuken zei Raf na een slok van de woudgroene fles dat Holst meer onder de mensen moest komen, dat hier in zijn eentje kniezen om Madame Laura onwaardig was voor een man.

'Ik ga af en toe naar de 'Picardy'.'

'Dat zijn geen mensen,' zei Raf. 'En daarbij, vogelen, wat hebt ge daar nu aan?' Louis keek op. Was vogelen niet waar de meeste mensen mee bezig waren, geacht werden dag en nacht in hun gedachten mee bezig te zijn, kwam daar het grote verdriet niet van, en af en toe wat contentement?

'Gij misschien niet,' zei Holst.

'Nee, ik niet,' zei Raf.

'Alleman kan niet zijn plezier vinden in dansen,' zei Holst.

Raf was stil toen ze terugliepen. Toen zij in zicht van Meerkes huis kwamen zei hij: 'Gij hebt nu zelf gezien wat vrouwen u kunnen aandoen. Hij zei nu wel dat Madame Laura stond te schreeuwen, ik geloof daar niks van. Madame Laura huilt niet. Nooit. Al slaat ge haar met een paardenzweep.'

Zij hoorden Hector de kalkoen. Raf zei, en Louis hoorde iets van het lijzige pedante van Konrads stem: 'Als ge vogelt, Louis, en ge zijt uitgeput en ge kunt niet meer, dan moet ge zolang naar Hector kijken tot hij drie keer zijn nek heeft doen opzwellen, en ge geraakt weer op gang.'

De springerige snoeshaan voor hem was behoorlijk zwakzinnig, toch was Louis trots dat hij bij de vogelende mensheid werd gerekend.

'Ik zal er op peinzen, als 't zover is,' zei hij.

Raf haalde uit zijn binnenzak een boekje met een blauwlederen omslag en gouden letters. 'Hier, dat is voor u.' De titel was De lelijke Hertogin, de schrijver, onbekend in 't regiment, heette Lion Feuchtwanger. 'Een cadeautje van uwe kameraad Raf die gij niet gaarne wilt zien maar die u dat niet kwalijk neemt.'

Hij had het uit de keuken gestolen. 'Holst leest dat toch niet, dit soort boeken.'

'Merci.'

Rafs beige hand hield de zijne vast. 'Ik moet nu naar boer Liekens. Een kwartiertje le grand ecart. Schrijf me eens een kaartje.' En daar ging Louis' gids naar gemaskerde, verschroeide tovenaars, naar vrouwen met wijde witte hoeden. Hij wou Raf achterna hollen, 'Ga nog niet weg', maar de duivel van de koude hoogmoed (zoals hij die nacht in zijn schrift opschreef) belette het hem; Louis Seynaeve vraagt niets, aan niemand.

Die avond trachtte hij, Rafs nonchalante wijfachtig grillige ondervragingstechniek indachtig, meer te weten te komen over Madame Laura van Meerke, Tante Violet en Jeanne Renesse, een opgeruimde buurvrouw die aan aderverkalking leed en daarom doorlopend knoflook at, terwijl zij aan het whisten waren. Zij waren te zeer door hun spel opgeslorpt om uitvoerig te roddelen maar hij vernam toch dat Madame Laura een slecht huis beheerde in de Louisalaan te Brussel waar de chiek, chique, de chi-chi van 't heel land zijn centen achterliet, Duitse officieren zowel als zwarte handelaren of Anglofiele industrielen, dat ze miljonaire was, dat ze Holst, haar knecht of boswachter, verslaafd had aan haar vuile manieren.

'Een ding is zeker,' zei de jolige Jeanne Renesse, 'zij is ouder dan we kunnen peinzen.'

'Zij verzorgt haar eigen natuurlijk,' zei Meerke.

Tante Violet, groenig gezwollen in het petroleumlicht, zei: 'Zij wrijft alle dagen haar gezicht in met zalf voor aambeien, dan trekt dat vel samen.' Zo hadden zij 't waarschijnlijk ook over Mama, als Louis er niet bij was. Mama, die net als Madame Laura verlaten was door een Duitse krijger, die ook met bevroren kaaksbenen haar wanhoop uitriep, als niemand het zag.

'Ik heb horen zeggen dat ze valse tanden heeft,' zei hij.

'Dat zou me niet verwonderen,' zei Meerke.

'Zij is vals van kop tot teen,' zei Tante Violet.

Alhoewel het levensgevaarlijk was, omdat er geen gordijnen in het voutkamertje hingen, stak hij een kerstboomkaarsje aan en las over de lelijke hertogin. Bij elk naamwoord gebruikte Feuchtwanger meerdere bijvoeglijke naamwoorden, toen smolten de letters en na een uiterst korte heftige zonde zakte hij in slaap terwijl Madame Laura's onduidelijke gezicht naar hem keek vanonder haar witte zomerhoed, zij sperde haar mond van louter liefde, Louis murmelde: 'Wacht maar, slecht vrouwmens, wacht maar.' 'Kom maar,' zei zij en werd rood als Hector de kalkoen zijn lellen. Over haar schouders, zonder dat zij het merkte, daalden sneeuwvlokken van feldgrau, versnipperde flardjes uniform, terwijl een trambel weerklonk, het was de bel van het altaar, toen ik met Vlieghe te communie ging.

==

'Wij zouden naar de cinema kunnen gaan, maar er is niks,' zei Papa. 'Reitet fur Deutschland, met Willy Birgel, 't is voorzeker interessant, over een man die paard rijdt voor de glorie van zijn land, ge leert er mee dat ge u in alle takken kunt dienstig maken, maar mijn hoofd staat niet naar paarden. In de 'Vooruit' geven ze Janssens en Peeters, het is in 't Antwerps daar gaan we geen woord van verstaan.'

'In de "Cameo" geven ze...' begon Louis.

'Louis, alstublieft!'

'Etoile d'Amour.'

'Precies, een Franse vaudeville. De Fransen kunnen geen film maken of 't is van l'amour toujours en vrouwen in hun lingerie.

Dat de Vlamingen van Walle dat toelaten in hun eigen stad, het is een schande. Voor de oorlog gingen we allemaal solidair inktpotten naar het scherm smijten bij decadente films, dat waren serieuzere tijden.'

Louis besloot een dezer dagen naar een namiddagvertoning van de 'Cameo' te gaan. Als het maar decadent was. Zoals de decadentie van de joden en de plutocraten die in Amerika geld ophaalden voor de oorlogsinspanning op feestjes waar zij kromneuzig vet sigarenrokend handen vol dollars gooiden naar een danseres met een Amerikaans vlaggetje, de grootte van een postzegel, op de trillerige, geelektriseerde onderbuik, naar de onbeschaamde woelige deinende klauwende vrouwen die in de modder worstelden of in een bak zilveren visjes, elke rimpel, plooi, gleuf welig uitgerekt, vergroot, of naar een rij danseressen met zwarte kousen en jarretelles die de melkige brede dijen doorsneden, en al dat schaamteloos vee vermenigvuldigde zich, spreidde de knieen op saxofoonmuziek die tampte, tampte als het bloed in zijn slapen en in de stekel die onverdraaglijk langs zijn onderbroek gleed.

'Of Der Schimmelreiter,' zei Papa. 'Het zegt mij niet zoveel, over de klassieke tijd in het jaar Achttienhonderd en zoveel. Het zou iets voor uw Peter zijn, die is voor klassiek, maar ik neem hem niet meer mee naar de cinema, hij zit de hele tijd te zagen en te vragen omdat hij het niet kan volgen. Hij verstaat de simpelste dingen niet in de cinema. Als er een vrouw opkomt, kan hij nooit onthouden of het de vrouw, de dochter of de moeder is. En: ''Waarom schreit ze zo?" vraagt hij. ''Twee minuten geleden zat zij nog te lachen!" Maar vele grote geesten hebben dat. Eens dat ze buiten hun specialiteit treden zijn het grote kinderen. Zij zoeken overal iets achter. Honderden complicaties bij iets waar wij niet de minste moeite mee hebben. Nee, ik geloof dat ik maar naar de vergadering in cafe 'Groeninghe' ga, en gij, gij zoudt beter uw Latijn leren of uw wiskunde.'

In de 'Cameo' stond die avond Ginette Leclerc, een kindvrouwtje met een pony tot vlak boven haar wenkbrauwen, minutenlang in haar ondergoed met zwarte kousen, een arbeider met een rattenkop troostte haar terwijl hij haar heup streelde in de met zwarte veertjes gezoomde onderjurk, Louis streelde mee en toen over zijn eigen kleren. Bij een eindeloze achtervolging van gangsters door de politie in de Parijse metro, terwijl schrille Franse stemmen weerkaatsten tegen de oneindige wanden van witglanzende steentjes, keek hij van zijn eerste rij balkon naar beneden en zag duidelijk, alhoewel vager dan het grimmig hel wit en zwart op het filmdoek, de blozende kalende kruin van zijn vader die roerloos zat, met zijn hoed op zijn knieen, alleen zijn hand bewoog die mechanisch toffees uit een zakje naar zijn onzichtbare mond bracht.

Vlak voor het eind, dat toch alleen maar de hereniging van de twee Franse sukkels zou blijven uitmelken, rende Louis naar huis.

'Hoe was het?' vroeg hij aan zijn vader.

'Wat?'

'In de vergadering?'

'O, weeral die zelfde ruzies tussen het vnv en DeVlag. Hoe kan daar ooit nog eenheid van komen? Iedereen verdedigt zijn eigen belang, recht tegenover elkaar. Dat is de miserie in Vlaanderen, wij zitten met de erfenis van al die jaren democratisch gekonkelefoes.'

==

Er was ongemene drukte op de speelplaats, de Kei gesticuleerde tussen andere leraren en Louis dacht: 'Het is zover, de Kei heeft een grens overschreden, hij is zot geworden, het was te voorzien', maar het bleek de aanhouding te zijn van twee jongens uit de Retorica. Zij liepen met het hoofd voorovergebogen, beiden kauwden op kauwgom. Vier mannen met hoeden (een vertrouwde deukhoed) hielden hen vast bij de armen. Zij gingen langs de babbelende leerlingen, naar het hek.

'Ceusters is van joodsen bloede, zeggen zij.'

'Ze hadden een radiozender in hun bank.'

'Of zij moeten naar Duitsland gaan werken. Ik heb het altijd gedacht, dat de Coene er ouder uitzag.'

'Zij gaan er alles van weten. De Gestapo klopt er niet nevens.'

'De held willen uithangen, dat mag, maar als ge er voor moet boeten, dan moet ge niet bleiren.'

'Zij hebben krijt in hun zakken gevonden, het wordt onderzocht of het hetzelfde krijt is waarmee er hamers en sikkels op de muren getekend zijn.'

'Als ze er maar meer pakken, dan moeten ze 't College sluiten, hoera!'

'En ons diploma dan, stom kieken?'

Theo van Paemel hield de deur van de auto open, de jongens werden er ingeduwd. Van Paemel schoof naast de chauffeur.

De Kei was asgrauw. Schuld woog op de smalle, afhangende schouders, holde zijn gezicht uit.

'Eerwaarde.'

'Spreek niet tegen mij,' snauwde de priester. 'Ga weg.'

Er werden vitaminen met een citroensmaakje uitgedeeld. Louis zoog ze allemaal achter mekaar op, honger bleef knagen.

Door zijn vermoeidheid braken in de godsdienstles nooit eerder vernomen dialectklanken en uitdrukkingen door in de Kei's betoog. Het klonk vaag Oostends en hij, de zielenherder, werd een Visser, niet van zielen zoals ik als Apostel Petrus, maar van wijting, gebakken haring, sprot, rog in het zuur. Louis kwijlde.

'Als ge de kerk gaarne ziet, dan moet ge afzien, dat staat erbij geschreven. Afzien, niet alleen voor haar, om harentwege, maar ook door haar.'

'Smijt dan uw kap over de haag,' murmelde Bernardeau, naast Louis.

De Kei, soeur Caillou, in een fladderende kap geperst met uilenbril en al, rende als een langgerekte vleermuis in zijn jurk naar een doornenhaag, daar rukte hij de kap af; met zijn vertrouwde kale kop bevrijd, gooide hij het zwarte lakentje over de haag.

'Ik ben voor alles priester. Hoe ik daarvoor uitgekozen ben, is het raadsel van de genade. Zoals sommige seculaire roepingen is dit niet te beredeneren. Jongens, sommige seculaire roepingen manifesteren zich onder u, bij jongens die mannen zijn geworden in een dag van vierentwintig uren, een dag als vandaag, en die daarvoor moeten boeten. Bedenk, bedenk dat God, in zijn geheime wegen, soms diegenen die hem het dierbaarst zijn om hun onverschrokken begeerte naar recht en waarheid overlevert aan...

(Zeg het, durf het, brul het!)

...de donkere machten.'

(Lafaard! Namen! Instanties!)

De Kei had op de speelplaats toen de jongens weggeleid waren een zegenend kruisje naar hen gericht. Louis had niet kunnen zien hoe de jongens reageerden, of zij het sein van een Geallieerde code hadden opgevangen, want op dat ogenblik dook hij achter de rug van de scheikundeleraar omdat hij vreesde dat de alziende Theo van Paemel met zijn deukhoed hem zou ontdekken.

'Zodat wij, jongens, meer dan ooit vandaag onze neus moeten dichtknijpen, niet alleen voor onze eigen acidia en inertie, maar ook om onze doden te begraven en dat zijn de doden in het hart van Europa.' (Zoiets zei de hologige schipper in de voorkamer van het sashuis.)

==

Zoals de in Walle neergesmakte engel Holst er nu weer uitzag! Het was overdreven, pijnlijk, aandoenlijk. Zoals de kruisvaarders van de Dame van hun gedachten en gedichten een, meestal groen, sjaaltje meekregen dat zij nooit wasten in de jaren dat zij de Turken trachtten te verdrijven uit het Heilig Land, zo had Holst een rozig skitruitje van Madame Laura aangetrokken dat zij hem waarschijnlijk meegegeven had voor de droogkuis. Onder de blauwe broek van zijn Vlaamse Wacht-uniform staken platte wielrennersschoenen die veel te klein moesten zijn.

Hij ging zitten bij de dode kachel, met een pakje op de schoot. Louis zei dat zijn ouders niet thuis waren.

'Ik heb de tijd. Doe maar schoon voort met uw huiswerk.' Hij las wat in Volk en Staat, gooide de krant op de kachel en keek voor zich uit.

Zij speelden manille. Louis verloor zes frank.

'Gij kreegt aldoor slechte kaarten,' zei Holst grootmoedig. 'O ja, die laatste keer dat gij bij mij waart, hebt gij dan niet per ongeluk een historisch boek meegenomen over een hertogin?'

Meteen begon Louis heftig te blozen. Holst merkte het. 'O, ge moogt het houden, ik heb het niet nodig. Het is alleen dat ik u wil zeggen dat, zou er iemand naar vragen, ge nooit van zijn leven moogt vertellen dat ge het van mij gekregen hebt.'

'Natuurlijk niet.'

'Want ik kan verschrikkelijk tegen de lamp vliegen.'

'Ik zeg niks.'

'Hebt ge hem al uit?'

'Nog niet. Bijna.'

'Weet ge wat ge moet doen? Schrijf er uw naam in, vooraan. En als ze iets vragen, zeg dat ge dat boek op straat gevonden hebt in een vuilbak.'

Hij toonde de voorpagina van Volk en Staat. 'Bezie dat toch, bezie dat.' Een onmogelijk slanke Arier in een zwart uniform ranselde paniekerige dikneuzige dwergjes uiteen, de jodensterren zwermden als vlinders in het rond.

'Het is slecht,' zei Holst.

'Ja. En onnozel. Flauw.'

'Zeer slecht getekend,' zei Holst, 'de epauletten staan verkeerd en ge ziet niet eens wat voor een rang die kameraad heeft.'

Hij gaf het pakje aan Louis. 'Dit is voor uw moeder. Vergeet niet erbij te zeggen dat het van Madame Laura is met al haar complimenten.'

'Dank u.'

'Vond ge hem spannend, die historische roman?'

'Zeer. Het is zeer goed geschreven.'

'Wilt ge er nog een paar?'

'Ja. Ja. O, ja. Van Feuchtwanger?'

'En van anderen. Ik weet er misschien nog te vinden. Aan een zacht prijsje. Maar ge moogt er aan niemand, niemand over reppen. Het kan mij mijn kop kosten.'

Hij trok een loden jas aan. Toch nog een relikwie van de ontplofte Moritz?

Het pakje bevatte een lange sliert worst van varkensgehakt. Louis las in Volk en Staat over het Waals Legioen dat uit de omsingeling van Tsjerkassy gebroken was, het scheelde niet veel of het werd een tweede Stalingrad. Ondertussen at hij van de worst. Papa noch Mama verscheen, hij dronk het ene glas water na het andere. Toen had hij de halve worst opgegeten en leek het cadeau van Madame Laura ineens zo armetierig dat hij ook de laatste helft van de weeige massa naar binnen schrokte. Hij gooide het pakpapier achter Papa's snijmachine.

Mama vroeg niets over Papa, over zijn school, over zijn huiswerk. Zij zat op de rieten zitting die ineengedeukt was door het betonnen gewicht van Holst maar zij merkte dat niet, zij keek star naar de stoel naast Louis waar zijn broertje zat dat met hem meegegroeid was al die jaren, een nooit huilend, nooit jammerend (ook niet onhoorbaar) nooit etend (geen worst of klef brood) rein en aanhalig kind.

==

Ceusters noch de Coene verscheen weer op school, de jongens die in een dag mannen geworden waren. Als Ceusters inderdaad gedeeltelijk joods was, waarom had niemand dat eerder opgemerkt?

Hoe kon je 't herkennen? Louis kon vrij gauw raden uit welke streek iemand kwam, en dat niet alleen aan zijn gewesttaal. Die van Aalst bijvoorbeeld zijn schampere, wantrouwige, gelaten zwartkijkers, die van Oostende zijn wereldwijs en noemen je meteen hun vriend terwijl zij je zakken leeghalen, want ze hebben van kindsaf aan geleerd toeristen uit te zuigen, maar je kunt er niet kwaad op worden omdat ze altijd vrolijk zijn, die van Deinze zijn log en hartelijk en lachen het hardst om hun eigen moppen, en die van bij ons, van Walle, zijn koket en doortastend en nerveus omdat wij zo dicht bij Frankrijk wonen, en die van - monotoon begon de Onze Lieve Vrouweklok te kleppen, het waaide, soms verzwakte de klok. Tante Mona bakte aardappelen. Niet nadat ze gekookt waren, melige bijna aangebrande korstjes, maar rauw, vanwege de vitaminen.

'Die klok werkt op mijn zenuwen, Louis, ik word er horendol van. Hij zit goed onder de aarde, die gast, als ze zo lang luiden.'

Cecile dekte de tafel. 'Het is alleszins geen werkmens voor wie ze zo lang luiden.'

'Louis, blijf van die patatten af,' riep Tante Mona. 'Ge kunt toch wachten tot ze deftig op uw telloor liggen.'

De overblijvenden uit de groep vrijschutters van wie Ceusters en de Coene gearresteerd waren, klommen om hen te wreken in de toren van de Onze Lieve Vrouwekerk, eerst had een van hen de koster een aniline-potlood gegeven gedrenkt in een Amerikaans vergift, eerst hadden ze gespioneerd en gezien dat de koster gewoonlijk een potlood in de mond stak.

De klok speelde een lamento voor hun vrienden, helden die nu in de gevangenis zaten wegens Feindbegunstigung. Louis stak een prop met benzine onder een bedaard voorbijrijdende Mark iii-tank en stak hem in brand. Duits doodsgeschreeuw om Mutti weerklonk in de straat waar Peter (in de nis van de Bank tegenover de apotheek) verbijsterd naar de vlammen stond te gapen.

Maar later op de avond zei Mama dat de eredienst gehouden werd voor Odiel, de kleinschedelige vriend van Vuile Sef, die gesneuveld was tijdens de landing van de Geallieerden in Salerno om de verraderlijke Macaroni's te beschermen, die ondertussen tot hun eeuwige vervloeking de oorlog aan Duitsland hadden verklaard. Er zijn geen vrienden, geen bondgenoten in deze zo prille en toch zo verdorven wereld, schreef Louis in zijn schrift. En verving toen 'prille' door 'wonderbaarlijke'.

==

Papa en Louis zaten in een trein vol schreeuwerige geuniformeerden. Papa had Louis op het laatste ogenblik nog bevolen zijn witte kousen uit te trekken want er kon miserie van komen, Brussel zou vandaag helemaal in de handen van de Vlamingen zijn en witte kousen dragen zoals de Anglofielen was op zo'n dag een provocatie. 'Maar het zijn tenniskousen!' 'Het is gelijk,' snauwde Papa alsof hij wist dat ze van de verjaagde Lausengier afkomstig waren. 'Wees er niet te wild mee, met die kousen,' had Mama gefluisterd.

'Ah, wat zou ik willen dat er een van die Brusselse kiekefretters een tricolore drapeau uitstak, ge zoudt wat zien, onze mannen zullen niet in toom te houden zijn. Een medaille met een Belgisch lint en ze branden Brussel plat met Palais de Justice en al. Zij gaan onze macht voelen!'

'Onze macht? Gij behoort bij geen macht.'

'Een mens moet geen lid zijn van een groepering om zich Vlaams te voelen. Kunt ge niet eens wat breder denken? Als ge van plan zijt om mij heel de tijd tegen te spreken, stapt ge maar af in Brussel-Zuid. Ge kunt alleen uw weg naar huis vinden. Hebt ge uw paspoort bij?'

'Mijn eenzelvigheidskaart. Paspoort dat is voor 't buitenland.'

Papa zei geen woord meer. De jongelui in korte broek die met opgerolde vlaggen en wimpels voorbijkwamen in de coupe wekten zijn verdriet over mij die uit hun rangen verstoten was, over mij, enige zoon en eenling, binnenvetter, voorbestemd om te verwelken zonder het geestdriftig vuur van het leven alomme dat alleen kan bestaan als het saamhorig is.

In de optocht die van de Kleine Zavel te Brussel vertrok, mochten Louis en zijn vader ver achteraan, ver verwijderd van de trommels en fluiten en geuniformeerden, achter dichte rijen heren in zondagskleren meestappen. De burgers die hen omringden irriteerden Papa, het leek wel een verzameling parlementariers, gromde hij en zijn met metaal versterkte hakken ketsten tegen de keien. Hij kende de tekst van de liederen niet, zijn heftig 'lalala' werd opgenomen in het algemeen gekeel.

Een uur later was Papa moe en door de zon verbrand, hij schoof zijn zakdoek met vier knoopjes aan de uiteinden over zijn schedel. Zoals het zijdepapier dat je over een sinaasappel schuift, als de sinaasappel rolt loopt er een witgebleekte krab zonder poten in de kamer.

'Iedereen kijkt naar u, Papa.'

'Moet ik mij levend laten verbranden?'

'Straks denkt een Zwarte Brigade-man dat ge 't doet om te spotten, en trekt hij het van uw hoofd.'

Meteen borg Papa de zakdoek op. Hij ging op de stoep staan tussen de Brusselaars en bracht de Olympische groet. De laatste rijen waren uitgedund en sjokten als achter een kist.

Toen bleek dat Papa zijn bonnen vergeten had. Met die van Louis konden ze nog net twee grote sandwiches met jam krijgen. 'Ziet ge hoever wij al verengelst zijn, sand-wietjes.' Maar zijn ergernis was kunstmatig opgefokt, hij was te moe.

'Ik sterf van de honger,' zei Louis.

'De mens eet veel te veel. Nog nooit zijn de Belgen zo gezond van lijf en leden geweest als nu, nu zij de riem moeten toetrekken. Er zijn volkeren die alleen maar klei eten en dat nog smakelijk vinden ook. Alhoewel... wij zouden naar de Beestenmarkt kunnen gaan, waar ze paardenbloedworst verkopen zonder zegels. Maar waar is de Beestenmarkt?'

'Wij kunnen het vragen.'

'Aan die Brusselse kiekefretters zeker!'

In een parkje met honderden verschillende bloemen en kruiden, waar de dode eenogige Maurice de Potter zich vooroverboog om de akkermunt te vinden of de muurleeuwenbek of het wildemanskruid, zaten zij op een bankje. Louis loerde of hij zijn vader kon betrappen op het ogenblik dat hij heimelijk at van de reep chocola met noten in zijn zak. De schaarse Brusselaars die langs kwamen spraken Frans.

'Het wordt tijd dat Brussel eens grondig gekuist wordt. Brussel is van in de Middeleeuwen van ons, Vlamingen, geweest. Van in de tijd van de hertogen Jan de Eerste en de Tweede en de rest.

'De hertogen spraken Frans, Papa.'

'Wie zegt dat? Is dat wat ze u leren in 't College? En ik heb het deze week nog gelezen! Over de slag van Woeringen en over Jan de Eerste die van zijn paard viel tijdens een toernooi. Gij kent uw geschiedenis niet, gij! Geen sprake van dat zij Frans spraken. En Jan de Tweede die de lakenhal van Leuven heeft laten bouwen. Hij gaf zijn instructies aan zijn werkvolk in het Frans zeker?'

'Jan de Tweede sprak Engels.'

'Dat is helemaal het toppunt. Gij gaat mij uit mijn vel doen springen.'

'Hij was in Engeland opgegroeid. Zijn schoonvader was de koning van Engeland.'

'Ik spreek niet meer tegen u,' zei Papa, en zei: 'Wij zouden een van die duiven daar de kop kunnen omwringen en met die droge takjes een vuurtje maken, lijk in die goeie tijd dat ik met Cosijns op stap was in Frankrijk.'

De vogels van de Heilige Geest met olijftak in hun bek zaten boven op het dak en in de goot van het Hotel d'Angleterre.

'Wat let ons? Kom op. Wij doen alsof wij in 't hotel logeren, wij nemen de ascenseur, wij kruipen op het dak...'

'Ik moet er niet aan peinzen. Sedert dat ik de rotsen bij de Grotten van Han heb moeten beklimmen van uw moeder in 't jaar Zesendertig... Daarbij, die duiven zijn al zoveel keer vergiftigd geworden door de Brusselaars die ze willen opeten, dat ze immuun geworden zijn. Boordevol arseniek. Zelfs al hebben ze een hele avond in de pan gesudderd, dan nog, een hap en ge zijt eraan, onder de builen en de zweren...'

Zwarte Brigade-mannen fietsten zingend voorbij. Het begon te schemeren, een roze gloed in de hemel veranderde het silhouet van de Basiliek in een diepblauwe moskee. Papa schoot wakker, waaide met zijn hoed zijn zwetend gezicht droog.

'Kom. Kam uw haar. Het is tijd. En denk eraan, wat we nu ook tegenkomen, geen gebenedijd woord erover, aan niemand, of er gebeuren calamiteiten.'

Naarmate Papa de Louisalaan naderde, drentelde hij schichtiger, schoot hij zenuwachtiger tussen de fietsers en de boordevolle trams.

'Kijk voor u, recht voor u,' siste Papa toen ze langs een patriciershuis kwamen waar Duitse legervrachtwagens en een gepantserde halfrupswagen voor stonden. Terwijl Papa dat gebouw in de gaten bleef houden, liepen zij tot het volgende kruispunt en toen zette Papa het ineens op een lopen, een zijstraat in, terwijl hij zijn hoed vasthield. Voor een smal deurtje bleef hij hijgend staan, schikte Louis' das, monsterde hem. 'Van nu af aan zijt gij van den Swigende Eede.'

Een Zwarte Brigade-man deed het deurtje open en keek op zijn horloge.

'Gij zijt te vroeg.'

'Holst heeft gezegd om acht uur,' loog Papa.

'Holst kan zoveel zeggen. Ik ben van dienst.'

'Wij worden verwacht om acht uur, meneer.'

'Meneer?'

'Kameraad, wil ik zeggen.'

Zij werden in het appartement binnengeleid door een sproetige, smalle Brusselaar die zei dat Madame zo meteen zou komen en dat ze niet mochten roken. Toch stonden er twee asbakken in de vorm van melkglazen eendjes vol peuken en filtersigaretten. Het hoofd van een blinde Egyptische godin in brons. Een kastje dat een wolkenkrabber voorstelde, de deuren waren etages met ramen in pastelkleuren. Een kamerscherm waarop gazellen en flamingo's samen van de gouden golven van een meer dronken. Een spiegel met kristallen vogelveren. Een sprei van vossenpels op een abrikooskleurige divan. Papa keurde een doosje met bloemen in email.

'Dat is minstens honderd jaar oud. Of meer. Uit de tijd van Napoleon.'

Madame Laura stond in de kamer en nam het doosje uit Papa's hand.'

'Van zeventienhonderd vierenveertig, Louis Quinze,' zei zij met een glimlach van een bronzen Egyptische godin.

'Ik dacht Louis Quatorze,' zei Papa.

'Nee. Louis Quatorze hield niet van tabak. Niemand mocht snuiven in zijn omgeving. Hij zelf at de hele tijd pastilles voor zijn slechte adem.'

'Ik heb daar ook over gehoord,' zei Papa.

Zij droeg een peignoir met zwarte en gouden motieven die bij de meubels pasten, gestileerde zwaluwen en chrysanten. Uit de wijde, ongelijk gesneden mouwen staken volle blanke armen zonder een juweel. Ik moet Mama vertellen over haar kapsel, naar een kant gekamd met een golf die de helft van haar oog bedekt. Het vel van haar brede wangen is strak gespannen. Aambeizalf. Zij bekijkt Papa niet.

'Ik heb van alles over u gehoord.'

'Van Holst?' vroeg Louis.

'Hij zegt dat ge niet alleen boeken leest maar ook alles onthoudt.' Omdat hij opnieuw uitgelachen werd, omdat hij weer scharlakenrood werd, omdat hij die bedekt spottende voorpostgevechten-prietpraat wou doven, liet hij zijn onderlip hangen, keek hij wat scheel en lispelde: 'Het liefst lees ik over Ukkie en Wappie. Of over Fik en Fok. Maar het liefst over Ukkie en Wappie.'

Papa wist niet wat hem overkwam. Hij had een dorpsidioot meegebracht in deze chique Brusselse woning, hij kuchte verwoed.

Madame Laura kneep haar wolkgrijze ogen tot spleetjes alsof er tabakswalmen in drongen. 'Zo, Ukkie en Wappie. En wat doen Ukkie en Wappie?'

'Kattenkwaad. Zoals alle indianenjongens. En elke keer als Wappie schrikt roept hij: ''Grote boontjes!"'

'Ge zijt hier heel goed geinstalleerd, Madame Laura,' zei Papa heftig.

'Grote boontjes,' herhaalde de vrouw die Raf en Holst en Nonkel Armand en Moritz-van-de-versplinterde-tram wild maakte. Zij lachte, overrompelend, en aanstekelijk, 'Grote boontjes,' riep zij en Tante Violet haatte haar en Louis wou dat de wijde, volle lippen zijn hete wang raakten.

De smalle Brusselse jongen die een Waals legionair in burger kon zijn, schonk port in vierkante, fonkelende glaasjes. Papa frummelde aan zijn manchetknopen. 'Misschien dat wij over onze affaires zouden kunnen beginnen, Madame Laura. En mijn vraag die met de deur in huis valt is: wat moeten die boeken per stuk kosten? Ik moet ze natuurlijk eerst onderzoeken om ze te kunnen schatten...'

'Ik doe geen affaires, Mijnheer.'

'Ah, ik dacht, ben ik mis? ik meende...'

Louis liet zijn mongoloide-masker varen. Zij merkte het. Hij merkte de tip van haar tong.

'Ik doe het uitsluitend, en ik weet wat voor risico's ik neem, om uw zoon een plezier te doen. Holst maakte me attent op de leeshonger van... eh... Louis. Ik acht het mijn plicht om hem iets anders te laten lezen dan wat er aan de jeugd opgedrongen wordt, de dorpsverhalen van de Fee van Lier, van de Stijn van Ingooigem...'

'Van de Cyriel van Alveringem,' riep Louis driest.

'Die ken ik niet.' Koket sloeg zij een been over het andere.

'Cyriel Verschaeve,' zei Papa gedempt.

'Waar men geen kleinheid kan ontwaren, maar zij alleen nog blijven leven, de meeuwen...' declameerde Louis.

'Louis! Het is nu al welletjes,' riep Papa.

'Nog een portootje, Mijnheer Seynaeve?' Plots brak in haar gesluierde stem de rauwe klank van een barmeid door (zal ik in mijn schrift schrijven dat misschien op dit ogenblik door Mama die in mijn kamer snuffelt gelezen wordt, nee, Mama kan het geen barst schelen, mijn ontoegankelijk eigen leven). Ik heb nog nooit een barmeid van dichtbij gezien. Dit is er dus een. Straks moet ik opschrijven dat zij de ogen van een kat, katachtige, heeft. Of is dat banaal? Toch is het zo. Zij lichten op.

'Nee merci, geen porto, merci Madame Laura. Want dat eentje zit al in mijn hoofd.'

'Kom toch, voor zo'n grote, sterke vent.'

Zij sipten aan hun port.

'Ik zelf heb laatst veel genoegen beleefd aan een paar boeken van Huxley, Louis. Ik kan ze u aanbevelen. Ge zult zien, er liggen er wel twintig van Point contre Point in de groene serie van Feux Croises.'

De legionair die in Tsjerkassy de dichte rijen van Aziaten op zijn stelling had zien losstormen, kwam zeggen dat de coiffeur aangekomen was in het salon.

'Ge moet mij beloven, Louis, dat ge gauw terugkomt.'

'Ik beloof het u,' zei hij en spiedde of de legionair niet slinks naar haar knipoogde of proestte binnen in zijn meine Ehre ist Treue-ziel (het Waals Legioen was thans ingelijfd bij de Waffen-ss).

'Of misschien zie ik u in Bastegem. Want ik trouw binnenkort met Andre Holst. Misschien vindt gij tijd om naar de receptie te komen. De trouw wordt nogal intiem gehouden, maar de receptie is voor al mijn vrienden.' Louis verliet haar, die door God geschapen werd op de zevende dag voor hem, Louis, voor zijn tintelende vingers die afgehakt werden als de poten van de krab onder het sinaasappelpapier. Haar grijze omschaduwde ogen volgden hem met een spotziek verdriet, indien er zoiets bestaat, zodat hij zijn hoofd afwendde, en omdat zij meende dat hij als een pandjesbaas of een brocanteur naar de Louis Quinze-snuifdoos loerde, zei zij: 'Het is een kopie natuurlijk.' Haar besmettelijke lach. 'Als het een echte was, dan was ik miljonair.'

De Zwarte Brigade-man van bij de voordeur (een concierge, want hij droeg geen wapens) bracht hen langs lege gangen en trappen naar een kolenhok waar bergen antraciet lagen.

'D'r is hier voor een paar winters,' fluisterde Papa. Zij klommen over de kolen. 'Als ge heel het gebouw wilt verwarmen, met al die hoge kamers...' zei de concierge. 'En zij kijken op geen kilootje.'

Hij zette zijn schouder tegen een deur die klem zat. 'Voila. Ge weet wat er overeengekomen is. In godsnaam houdt u koest. Koest.' De twee slaafse, zwijgende honden, koest! knikten.

'Geen hoest!'

'Nee, nee,' zei Papa. Hij viel languit voorover in een stapel boeken en trok Louis met zich mee. Zij hoorden de sleutel.

De deur werd op slot gedaan. De kamer lag in de vale schijn die uit een kelderraampje viel.

Een krankzinnig overwerkte bibliothecaris had dagenlang honderden boeken, duizenden, door de kamer geslingerd. De vloer werd gevormd door een heuvel van schots en scheef gestapelde boeken die hier naar binnen gekwakt waren of met een reuzenschop als kolen door het kelderraampje gekiept. Dat kon niet, want tegen een wand waren ze tot tegen het plafond gestapeld, de stapelende gevangene was toen gevlucht, torens boeken waren ingestort. Papa kroop overeind en ging op een hoop woordenboekachtige roodleren banden zitten, Werke van Heinrich Heine, en stak een zaklantaarn aan.

Louis moest alle in leer gebonden en geillustreerde boeken op een stapel leggen. Bij verzamelde werken moest hij de nummers opzoeken. 'Als ze niet compleet zijn, zijn ze geen frank waard. En het liefst Franse boeken, daar heb ik meer clienten voor, het is mensonterend, maar waar het geld zit, leest men Frans.'

Het bleek dat de Fransen geen dure in leer gebonden boeken uitgaven. Jammer genoeg ontbraken bij Le Regne Animal van Cuvier de nummers vier en zeven. De dieren waren minutieus met de hand getekend. 'Compleet, zeg ik!' Papa scheurde er een paar plaatjes uit, van een miereneter, een pinguin en een boa constrictor. 'Voor uw moeder, zij is zo zot op wilde beesten.'

'Henri Barbusse,' las Louis. 'Op Japon imperial.'

'Geen slappe kaften, zeg ik.'

Na een paar uur zag Papa dat het goed was, twee hoge heuveltjes, hij maakte een nestje tussen de boeken en trok zijn knieen op. Toen hij snurkte viste Louis de zaklantaarn uit zijn jaszak en las in Point contre Point, het ging over geestige en saaie Engelsen. In Der Querschnitt, een tijdschrift met teksten die leken op de gedichten van Paul van Ostaijen. In Drie kameraden van Remarque. De drie kameraden gooiden op de kermis met ringen naar een houten pin en wonnen alle prijzen want zij hadden jarenlang in de loopgraven van Veertien-Achttien niets anders gedaan. De eigenaar van de tent was razend, maar zij bleven doorspelen en de sul moest pop na pop afgeven. Toen een van de drie kameraden wakker werd voor zijn geliefde ging hij gauw zijn tanden poetsen om een frisse adem te hebben als zij ontwaakte. Louis las in l'Enfer, van Barbusse, over een hotelkamer waar een gat in de muur geboord werd zodat je alles kon zien in de belendende kamer, ook de zwarte harige driehoek. Hij las sneller, plukte hier en daar paragrafen in Struensee van Robert Neumann, De oude Waereld van Israel Querido, hij kreeg hoofdpijn van het te snelle, te gretige lezen en keek toen naar plaatjes, naar naakte dikke vrouwen met rosse schaamhaarplukjes en gestriemde billen. Grosz. 'Den dicke Frauen macht es naturlich Spass nach merkwurdigen Schablonen zu leben, verruckten Schablonen...'

In een nummer van Selection vond hij gestileerde, gezwollen vrouwen geschilderd door Fritz van den Berghe over wie, ooit, op de dag dat Simone en haar treurnis voor het eerst in zijn leven waren verschenen, een rossige aap zo misprijzend had gesneerd. Tieten met tepels als schelvisogen, een lompe naakte vrouw lag uitgestrekt terwijl een man met vlinderdas een sigaret rookte vlakbij een ravijn. Een boerin gaf de borst aan drie jongetjes tegelijk. Zijn ogen vielen dicht. Zijn ogen schoten open. Een aanhoudend gegil. Doffe stompen. De gillende man verweerde zich. Drie vier schelle en barse stemmen riepen in afgebeten snokjes, Duitse bevelen imiterend, mechanisch, getraind, zonder mogelijk weerwoord. 'Gaat ge nu direct - smeerlap - wij weten het - gaat ge zwijgen - zeg het nu direct - nog meer? - op januari de twaalfde om twee uur 's nachts.'

'Godverdomme,' zei Papa zachtjes. 'Die krijgt er van.'

'Het is in de kamer hiernaast.'

'Maar nee, aan de overkant van de binnenplaats.'

Het kon Holst zijn die gekweld werd omdat hij hen had binnengesmokkeld in het verboden domein, in het opwindend paradijs van de decadente joodse propaganda.

'Het is Holst.'

'Zeveraar,' zei Papa. 'Vlaamse Wachters doen zoiets niet. Het is hun afdeling niet. En hoort ge niet dat het Limburgers zijn?'

In de waterleiding klotste en ruiste het, ijzeren deuren sloegen dicht. De man gilde toen als een vrouw, het eindigde in gejammer: 'God, god, god.' De Kei zei: 'God komt slechts als zijn schepsels hem roepen.' Toen liepen laarzen ijzeren trappen op en af en gromde een vrachtwagen.

'Zij hebben hem doodgeslagen.'

'Houd uw mond.'

'Per ongeluk. Zij wisten het niet. Maar hij heeft zwakke aders. En een verkeerde slag op zijn slaap...'

'Maar nee. Zij laten hem uitrusten. Hij heeft bekend, namen en adressen.'

'Zij zijn sterk, vier tegen een!'

'Het is geen boksmatch. En het kan niet anders. Ze kunnen niet blijven onschuldige Vlamingen in de nek schieten, bommen leggen onder de treinen. Wij moeten het te weten komen.'

'Neem nu eens dat ze de verkeerde voor hebben, dat hij van niks wist.'

'Zij zouden hem niet opgepakt hebben. En moest er een fout gebeurd zijn, en zij zien als hij ondervraagd wordt dat hij niks gedaan heeft, dan laten ze hem los met excuses.'

'Hoe zien ze dat?'

'Het zijn vakmensen. Zij gaan daarvoor naar gespecialiseerde universiteiten. En schei uit met uw stomme vragen.'

Het volgende kwartier liet Papa de ene wind na de andere. 'Het is van de zenuwen. En daarbij, wat moet, dat moet. Een mens moet minimum zeven scheten per dag laten. Anders moet hij naar de dokter.'

In een der boeken die Louis opzijgelegd had, Die Puppe, stond dezelfde foto die hij thuis in zijn map knipsels van artikelen, karikaturen en illustraties had. Zij stond onderaan rechts op de twee volle pagina's die het verschil tussen de klassieke en de joodse kunst illustreerden. Naakte zegevierende krijgers met dik gelijk gekruld schaamhaar als vlammen van marmer, die een toorts in de lucht zwaaiden, moederlijke vrouwen met een kind aan de borst, prachtige verweerde schippers stonden tegenover horloges die slap waren als omelettes, versplinterde robotachtige dwergen, panelen met niets dan vierkantjes als een vaatdoek. De foto in Die Puppe was haarscherp en gekleurd. In een bos vol herfstbladeren stond een naakt figuur dat, alhoewel vlezig en welig als een vrouw, een pop voorstelde, je zag de geledingen bij knie en lies en dij en middenrif. De pop had geen gezicht of geen schouders omdat vanuit haar navel opnieuw, maar dan omgekeerd, een buik en volle dijen en benen verrezen, die leken op die van onderen. Van onderen en van boven eindigde de pop in voeten met witte opgerolde sokjes en zwarte lakschoentjes. Naast de onderste voeten die uiteenweken als bij Charlie Chaplin op het gouden bladerenbed lag een ineengefrommeld gestreept jurkje. De lichtomberen plek die welft tussen de dijen en die ook kan splijten voor een entrechat blijft smoezelig, in het eerste daglicht uit het kelderraampje kon Louis het niet goed zien. Iets verder in het bos staat achter twee berken een man, eveneens zonder hoofd, handen in de zakken. In zijn donkere jas leunt hij met zijn buik tegen een boomstam. Alhoewel hij de pop nooit kan zien, overigens als hij een hoofd had zou er een berk voor zijn ogen staan, is hij toch een spieder, een medeplichtige in de misdaad die heeft plaatsgevonden. Zijn gestalte lijkt op die van Holst, maar ik ben het die spiedt naar de haastig tot een monsterlijk geheel in elkaar gezette torso's en onderlijven na de sectie, ik met mijn overbodig hoofd, met mijn duister krampachtig gestrekt ding dat tegen deze berkenbast, tegen allerlei hindernissen pookt.

Papa nam het boekje uit zijn hand. 'Zij hebben gelijk dat ze deze vuiligheid vermalen, verbranden.'

'Geef hier!' kefte Louis en Papa reikte hem verbaasd het boekje terug aan.

De concierge kwam hen bevrijden en bracht twee nieuwe koffers mee van geperst karton. 'Het stinkt hier,' zei hij verwijtend.

'Ik dacht dat ge niet meer zou komen,' zei Papa als een gelukkige minnaar.

'Gewoonlijk wordt er hier op zondag niet gewerkt, maar er was een spoedgeval, ge hebt het misschien gehoord.'

'Vaag,' zei Papa.

'Hebben ze hem doodgeschoten?' vroeg Louis. De concierge blafte: 'Ge hebt niets gehoord, absoluut niets gehoord, begrepen?'

'Ge moet ons dat geen twee keer zeggen,' zei Papa.

De koffers waren loodzwaar, de trein had uren vertraging.

Zij laadden de boeken uit in de voorkamer. 'Wij gaan ze morgen klasseren volgens alfabet,' zei Papa. 'Nu kruip ik in mijn bed.'

Louis droomde van twee pastelkleurig geverfde gordeldieren die in paradijselijke struikjes snuffelden en toen onhandig op een houten schavot klommen dat onder het Belfort van Walle was opgericht, een wankel staketsel met vlaggen en bloemkransen, waarop Ceusters en de Coene stonden, op kauwgom kauwend, de riem met de lelie van de Scouts om. Trommels roffelden heel zacht. Een ouverture. Hij wou er heen, want zij wierpen hem smekende blikken toe, Mama zei: 'Goed, ga er naartoe, ge moogt ze gaan helpen, maar eerst moet ge uw haar kammen, kom, laat mij dat doen.'

Louis kon dit niet weerstaan, hij legde zijn hoofd op haar knieen als op een kapblok. Vanonder haar jurk met pauwenogen haalde zij een gloeiende krultang te voorschijn. 'Mama, ik zal te laat komen. Hoor, de trommels slaan al luider! Alstublieft! Toe!' maar zij bleef zijn haar krullen, de brillantine siste.

==

Zij vingen geen glimp meer op van Madame Laura, die ondertussen getrouwd was. In alle stilte, volgens Berwouts de concierge. Vijf weken lang gingen zij elke zaterdagavond boeken halen maar bleven niet meer overnachten. De kartonnen koffers stonden op begeven.

Louis streelde de bonte ruggen van de boeken die hij op zijn slaapkamer had staan. Hij las de meeste boeken diagonaal, Point contre Point liet hij na de helft liggen, maar van Georg Hermann's Jetje Gebert en Henriette Jacoby las hij elke regel. 'Wat scheelt er nu weer?' vroeg Papa, die hem met betraand gezicht betrapte in de veranda.

'De joden die overal in de weg zitten, die overal weggejaagd worden, het is onrechtvaardig.'

'Staat dat in dat boek?'

'Nee. Maar ge voelt het.'

'Joden kunnen het goed zeggen.'

'Maar wat ze zeggen is waar.'

'Ge moet de waarheid van een jood altijd met een korreltje zout nemen.'

'En die van u niet zeker!'

'Ge moet daarom niet schreien.'

Louis wist zeker dat dit zijn vader niet was. Ik ben ook het kind van Mama niet. Zij weten het zelf niet dat ik, toen ik in windsels lag in 't moederhuis, verwisseld ben met een ander kind. Alleen Peter weet het en die houdt zijn mond hierover, of heeft het alleen aan zijn lieveling, Tante Mona, verklapt, zij doet altijd zo raar tegen mij.

'En de Boeren in Zuid-Afrika die door de Engelsen in concentratiekampen uitgehongerd en gemarteld zijn? De Ieren, de Indiers door de Engelsman uitgemoord. En onze jongens in de loopgraven van Veertien-Achttien? Daar spreekt ge niet over. Daar hebt ge geen traantje voor over. Er moeten altijd zondebokken zijn, en nu zijn dat de joden.'

'Altijd, Papa?'